Oefeningen


De oefeningen van de 1 Divisie '7 December' gingen medio 1959 van start.
De gevechtstroepen zouden zich voortaan jaarlijks vlak na elkaar elk drie weken in dit tot de verbeelding sprekende gebied in hun oorlogstaak bekwamen. De reis van de Nederlandse troepen werd door de Franse verkeerspolitie en de militaire autoriteiten van dat land, op uitstekende wijze begeleid.

Desondanks raakte 13 Gevechtstroep, die als eerste grote eenheid van 1 Divisie '7 December' naar La Courtine ging, enkele keren de weg kwijt, waardoor de nodige vertraging ontstond. De eerste dag eindigde de tocht in een bivak bij Mourmelon. De tweede dag leidde de route naar de omgeving van Bourges en vandaar naar de eindhalte, La Courtine.

De oefeningen zelf waren niet in alle opzichten een succes. Behalve de beperkingen die de Franse autoriteiten aan het vuren met tanks stelden, waren ook de terreinomstandigheden een belemmerende factor.


Het grootste probleem was dat het gebied erg heuvelachtig was, zodat de troepen weinig mogelijkheden hadden zich te ontplooien. Dit was een groot verschil met de situatie op de Noord-Duise laagvlakte. Op deze vlakte werd voorheen geoefend, maar omdat de in 1955 opgerichte Bundeswehr dit oefenterrein zelf nodig had, moest de Koninklijke Landmacht naar andere oefenmogelijkheden in het buitenland gaan omzien.

Uiteindelijk koos de legerleiding voor het Franse oefenterrein
La Courtine, mede omdat de Franse autoriteiten hiervoor een aantrekkelijke huurprijs in rekening brachten.

De gesteldheid van het terrein belemmerde ook de de inzet van pantservoertuigen en tanks. Tot 1963 was dat geen al te groot bezwaar, omdat de rupsvoertuigen nog niet in grote aantallen in de bewapening waren opgenomen. De beperkingen die het terrein aan het gemechaniseerde en gemotoriseerde optreden stelde, waren niettemin vanaf het begin van invloed op het oefenprogramma. De nadruk lag meer op statische gevechtsvormen, zoals het vertragend gevecht en de verdediging achter een waterhindernis, vergelijkbaar met de operationele taak aan de Weser in Duitsland.

De door 299 Squadron Lichte Vliegtuigen verleende luchtsteun en luchtverkenning moesten, tezamen met de nabootsing van napalm-, gifgas- en atoomaanvallen, de realiteit van de oorlog dicht benaderen. Het simuleren van een oorlogssituatie was evenwel aan nauwe grenzen gebonden. Volgens de Generale Staf ging de oefenleiding in 1959 te ver toen zij, ten einde psychologische strijdmethoden na te bootsen, boven het oefengebied 'pin-ups' liet afwerpen......
Wel toelaatbaar was de inzet van de lokale bevolking om het realiteitsgehalte van de oefeningen te verhogen. Zo liet een spoorwegwachter op een gegeven moment optrekkende troepen bij een overgang eventjes halt houden. Dit "ogenblikje" werd een half uur. Toen bleek dat er helemaal geen tein in aantocht was en dat de spoorwegman de oefenvijand een dienst verleende. Het kwam ook voor dat boeren, wanneer zij de tropen zagen naderen, hun vee opzettelijk de weg opdreven om de opmars van deze militairen te vertragen. Ook zij deden dit op verzoek van de oefenvijand.

Zelf heb ik iets dergelijk ook meegemaakt (denk ik achteraf....).
Wij waren met de radiowagen om de een of andere reden uitgeleend aan het "scheidsrechterskamp". Tijdens de oefeningen werd het geheel geregeld, in de gaten gehouden of hoe het ook toen werd genoemd, door scheidsrechters. Deze scheidsrechters waren te herkennen aan een witte stip op de helm. De oefeningen waren erg realistisch voor wat betreft het maken van krijgsgevangenen. Werd je krijgsgevangen gemaakt dan was je ook echt uitgeschakeld!
Op een nacht werd de nachtrust van het scheidsrechterskamp ruw verstoord. Een grote kudde koeien werd dwars door het kamp gevoerd (gejaagd?). Het resultaat was een aantal omver gelopen (grote) tenten en - in dat geval wel heel erg toepasselijk - "paniek in de tent!"